Wanneer Rob zijn Brabantse vrienden Sebas en Debby inschakelt om een verdwenen icoon te traceren — gekocht bij een Russische kunsthandelaar die inmiddels dood blijkt — begint een onderzoek dat hen dwars door Europa en Azië voert. In Sint-Petersburg ontmoeten ze Vladimir, een aristocratische advocaat met connecties in de duistere kunstwereld van de stad. Maar de sfeer is grimmiger dan verwacht: er valt een lijk, Sebas wordt aangevallen in de Hermitage, en achter de doeken en vergulde lijsten blijkt een extremistische sekte schuil te gaan.
Het spoor leidt hen vervolgens naar Bali, waar Robs tweelingbroer Adriaan spoorloos is verdwenen. Zijn vrouw Audrey behoort tot de familie Stims: rijk, charmant, en met een opmerkelijk patroon: haar vorige echtgenoten verdwenen allemaal onder onduidelijke omstandigheden. De lokale bevolking heeft een naam voor vrouwen zoals zij.
Terwijl Debby op Bali nieuwe vriendinnen vindt die haar nog overtreffen als het gaat om tassen en schoenen, raakt Sebas in Sint-Petersburg verwikkeld in een relatie die de zaak persoonlijker maakt dan verstandig is. In Tot op de bodem combineren detectivewerk en reislust zich met humor, gevaar en onverwachte verliefdheid, van de grachten van Amsterdam tot de tempels van Bali.